Gebruik je medicijnen en moet je de laatste tijd vaak plassen? Dan kan dat een bijwerking zijn. Bekende voorbeelden zijn plaspillen, sommige diabetesmedicijnen en bepaalde antidepressiva. Zulke medicijnen kunnen zorgen voor vaker plassen overdag, ’s nachts vaak plassen of urineverlies. In dit artikel lees je van welke medicijnen je vaak of veel moet plassen, hoe je uitzoekt wat er bij jou speelt en wat je eraan kunt doen.

Leestijd 14 min · Door dr. Erna Beers

Vaak plassen door medicijnen: herken je dit?

Moet je sinds je nieuwe medicijnen ineens veel vaker naar de wc? Word je ’s nachts vaker wakker om te plassen? Of heb je meer aandrang en haal je soms zelfs het toilet niet?

Dan kan het inderdaad zijn dat je vaak plast door je medicijnen.

Dat betekent alleen niet automatisch dat je ermee moet leren leven. En ook niet dat je zomaar met je medicijnen moet stoppen.

Medicijnen kunnen namelijk op verschillende manieren plasklachten veroorzaken of erger maken. Sommige zorgen ervoor dat je meer urine aanmaakt. Andere kunnen invloed hebben op je blaas, sluitspier of zenuwstelsel. En er zijn ook medicijnen waardoor je je blaas juist minder goed leegplast.

Om te weten wat je eraan kunt doen, is daarom eerst één vraag belangrijk:

Welke plasklacht heb jij precies? En waar komt die vandaan?

01 · Het probleem

Eerst iets belangrijks: vaak plassen door medicijnen is niet altijd hetzelfde probleem

Stel: twee mensen gaan allebei twaalf keer per dag naar de wc.

12×

De eerste plast iedere keer een flinke hoeveelheid. Aan het einde van de dag heeft die persoon veel meer urine geproduceerd dan normaal.

12×

De tweede plast steeds maar kleine beetjes en voelt telkens plotseling sterke aandrang.

Dat lijken dezelfde klachten, maar medisch gezien kan er iets heel anders aan de hand zijn.

Er zijn grofweg vier mogelijkheden:

  • 01

    Meer urine

    Je lichaam maakt meer urine aan.

  • 02

    Eerder aandrang

    Je krijgt vaker of te vroeg aandrang.

  • 03

    Urineverlies

    Je verliest urine voordat je het toilet bereikt.

  • 04

    Niet goed leegplassen

    Je blaas plast niet goed leeg, waardoor je steeds opnieuw kleine beetjes moet plassen.

Vooral het slecht leegplassen wordt makkelijk gemist. Bij chronische urineretentie kun je juist vaak kleine hoeveelheden plassen, steeds opnieuw aandrang voelen en soms zelfs urine verliezen.

Daarom heeft het weinig zin om alleen te vragen: “Staat vaak plassen als bijwerking in de bijsluiter?”

Wie vaak plast door medicijnen, moet daarom weten welke plasklacht het medicijn kan veroorzaken.

02 · Medicijnen

Welke medicijnen kunnen ervoor zorgen dat je vaker moet plassen?

Overzicht

Overzicht: medicijnen en wat ze met plassen kunnen doen
MedicijngroepVoorbeeldenWat er kan gebeuren
Diuretica (plastabletten)furosemide, hydrochloorthiazideMeer urine
SGLT2-remmersJardiance, ForxigaMeer urine, vaker plassen
LithiumlithiumVeel urine en veel dorst
Antidepressivasertraline, venlafaxineVaker plassen, urineverlies of slecht leegplassen
Antipsychoticarisperidon, quetiapineUrineverlies of slecht leegplassen
Slaap- en kalmeringsmiddelen, opioïdenoxazepam, zolpidem, morfineUrineverlies, slecht leegplassen (opioïden)

Van welke medicijnen moet je veel plassen?

Sommige medicijnen zorgen ervoor dat je meer urine aanmaakt. Dan plas je niet alleen vaak, maar ook veel: per keer een flinke hoeveelheid. Veel plassen door medicijnen komt vooral voor bij plaspillen, SGLT2-remmers en lithium.

1. Plaspillen: meer plassen is juist de bedoeling

De duidelijkste groep zijn de plaspillen, ook wel plastabletten, plasmiddelen of diuretica genoemd.

Voorbeelden zijn:

  • furosemide
  • bumetanide
  • hydrochloorthiazide
  • indapamide

Deze medicijnen worden onder andere gebruikt bij hoge bloeddruk, hartfalen en vochtophoping.

Ze zorgen ervoor dat je nieren meer zout en water uitscheiden. Daardoor maak je tijdelijk meer urine aan.

Bij plaspillen is extra plassen dus niet alleen een vervelende bijwerking. Het is onderdeel van de werking van het medicijn.

Dat kan wel problemen geven als je daarnaast al snel aandrang krijgt. Je blaas vult sneller en je moet vaker reageren op een signaal van je blaas.

Soms kan het tijdstip waarop je een plaspil inneemt verschil maken, bijvoorbeeld als je vooral ’s nachts vaak moet plassen. Maar dat hangt af van het medicijn, de reden waarom je het gebruikt en je gezondheid.

Verander daarom niet zelf het tijdstip of de dosis. Bespreek met je arts of apotheker:

  • wanneer de sterkste plaswerking optreedt;
  • of het innamemoment past bij jouw dag en nacht;
  • en of je plasklachten alleen door de extra urineproductie worden verklaard.

Want ook iemand die een plaspil gebruikt, kan daarnaast een overactieve blaas hebben.

2. Diabetesmedicijnen zoals empagliflozine (Jardiance) en dapagliflozine (Forxiga)

Een tweede belangrijke groep zijn de zogenoemde SGLT2-remmers.

Voorbeelden zijn:

  • empagliflozine (Jardiance)
  • dapagliflozine (Forxiga)
  • canagliflozine
  • ertugliflozine

Deze medicijnen zorgen ervoor dat je via je urine meer glucose uitscheidt. Daardoor komt er ook extra vocht mee.

Bij empagliflozine wordt vaker plassen, waaronder polyurie (veel urine), pollakisurie (vaak kleine beetjes plassen) en nycturie (’s nachts plassen), in het Farmacotherapeutisch Kompas genoemd als een vaak voorkomende bijwerking: bij 1 tot 10% van de gebruikers. Ook dorst wordt genoemd. Bij dapagliflozine noemt het Kompas polyurie als vaak voorkomend en nycturie als soms voorkomend.

Bij beide medicijnen staat ook een urineweginfectie als vaak voorkomende bijwerking vermeld. Ook een blaasontsteking kan vaak aandrang geven. Dat is dus nog een reden om bij nieuwe plasklachten goed te laten kijken wat er aan de hand is.

Deze medicijnen worden tegenwoordig niet alleen bij diabetes gebruikt. Ook mensen met bijvoorbeeld hartfalen of chronische nierschade kunnen ze voorgeschreven krijgen.

Als je door een SGLT2-remmer daadwerkelijk meer urine produceert, kun je die urineproductie niet simpelweg ‘wegtrainen’.

Maar dat betekent niet dat iedere sterke aandrang of ieder urineverlies automatisch door het medicijn komt.

Daarvoor is het nuttig om te kijken:

  • hoeveel je per keer plast;
  • wanneer de klachten optreden;
  • hoeveel je drinkt;
  • hoe vaak je kleine beetjes plast;
  • en of je ook op andere momenten plotseling heftige aandrang krijgt.

Een plasdagboek kan hierbij veel duidelijk maken.

Geven andere diabetesmedicijnen ook vaker plassen?

Nee, niet als bekende bijwerking. Bij metformine, gliclazide, sitagliptine, semaglutide (Ozempic), tirzepatide (Mounjaro) en insuline noemt het Farmacotherapeutisch Kompas geen bijwerkingen die met plassen te maken hebben. Van de diabetesmedicijnen zijn het dus vooral de SGLT2-remmers die vaker plassen kunnen geven.

Gebruik je een van de andere medicijnen en moet je toch vaak plassen? Dan ligt de verklaring waarschijnlijk ergens anders. Bespreek dat met je arts.

03 · Antidepressiva

Kunnen antidepressiva ervoor zorgen dat je vaker moet plassen of urine verliest?

Ja. Dat kan.

En juist bij antidepressiva is het beeld ingewikkelder dan veel mensen denken.

Ze kunnen in verband worden gebracht met:

  • vaker plassen;
  • veel urine produceren;
  • nachtelijk plassen;
  • plotselinge aandrang;
  • urine-incontinentie;
  • én juist moeite om de blaas goed leeg te plassen.

Vooral dat leegplassen is belangrijk: een medicijn kan dus zowel klachten geven die op een overactieve blaas lijken als problemen met de blaaslediging.

Sertraline en venlafaxine: een breed scala aan plasklachten

Bij sertraline vermeldt het Farmacotherapeutisch Kompas onder andere:

  • pollakisurie: vaak kleine hoeveelheden plassen;
  • mictiestoornissen: problemen met het plassen zelf, zoals moeilijk op gang komen;
  • polyurie: veel urine produceren;
  • nycturie: ’s nachts plassen;
  • urine-incontinentie;
  • urineretentie: onvoldoende kunnen uitplassen.

Dat is een opvallend brede verzameling.

Dus wanneer iemand zegt:

“Sinds ik sertraline gebruik moet ik veel vaker plassen”

kun je op basis daarvan nog niet concluderen wat er precies gebeurt.

De vervolgvraag is:

Plas je meer urine, krijg je eerder aandrang, verlies je urine of blijft er misschien urine achter in je blaas?

Bij venlafaxine, een SNRI, worden mictiestoornissen (problemen met het plassen zelf), urineretentie (onvoldoende kunnen uitplassen) en vaker plassen als vaak voorkomende bijwerkingen genoemd. Urine-incontinentie komt soms voor.

Ook hier kunnen dus tegengestelde problemen voorkomen.

Andere antidepressiva en vaak plassen

Ook bij andere antidepressiva worden urinewegklachten beschreven.

Dat geldt bijvoorbeeld voor:

  • fluoxetine
  • citalopram
  • paroxetine
  • fluvoxamine
  • duloxetine
  • mirtazapine
  • amitriptyline
  • nortriptyline
  • clomipramine

Het soort klacht verschilt per middel.

Bij de ene stof wordt vaker plassen genoemd, bij de andere juist urineretentie. Sommige medicijnen kunnen met beide in verband worden gebracht.

Dat betekent ook dat het antwoord niet simpelweg is:

“Vraag maar om een ander antidepressivum.”

Een alternatief antidepressivum kan zijn eigen voor- en nadelen hebben. En een middel dat goed werkt tegen de mentale klachten zomaar veranderen om plasklachten kan een slechte ruil zijn.

De juiste vraag is:

Kunnen we de plasklachten verminderen zonder de goede werking van het antidepressivum kwijt te raken?

04 · Antipsychotica

Antipsychotica en urineverlies: een vaak vergeten verband

Ook antipsychotica kunnen invloed hebben op het plassen.

Voorbeelden zijn:

  • risperidon
  • clozapine
  • olanzapine
  • quetiapine
  • paliperidon
  • aripiprazol
  • haloperidol

De klachten kunnen opnieuw verschillende kanten op gaan.

Bij risperidon wordt urine-incontinentie in het Farmacotherapeutisch Kompas als een vaak voorkomende bijwerking genoemd: bij 1 tot 10% van de gebruikers.

Daarnaast worden als minder vaak voorkomende bijwerkingen genoemd:

  • pollakisurie: vaak kleine beetjes plassen;
  • urineretentie;
  • pijn of moeite bij het plassen.

Het Nederlandse Bijwerkingencentrum Lareb publiceerde al eerder over urine-incontinentie tijdens risperidongebruik.

In twee beschreven meldingen ontstond urineverlies kort na het starten van risperidon. Na stoppen verdwenen de klachten. Bij één persoon ontstond de incontinentie bovendien opnieuw nadat het medicijn later opnieuw werd gestart. Dat maakt een verband aannemelijker, maar een paar meldingen zijn nog geen bewijs dat hetzelfde bij iedere gebruiker gebeurt.

Ook bij paliperidon worden verschillende plasproblemen genoemd, waaronder:

  • urine-incontinentie;
  • vaker plassen;
  • urineretentie;
  • moeilijk of pijnlijk plassen.

Lareb onderzocht ook meldingen van mictieproblemen (problemen met plassen) bij quetiapine.

In dat signaleringsrapport stonden toen zowel meldingen van urine-incontinentie als van urineretentie aanwezig. Lareb concludeerde dat beide farmacologisch voorstelbaar waren, maar dat de beschikbare gegevens een oorzakelijk verband niet definitief bewezen.

Dat laat precies zien waarom het zo belangrijk is dat je niet alle klachten onder ‘overactieve blaas’ schuift.

Urineverlies door een te volle blaas die niet goed leegraakt, vraagt om een andere aanpak dan urineverlies door plotselinge sterke aandrang.

05 · Het mechanisme

Waarom kunnen antidepressiva en antipsychotica invloed hebben op de blaas?

Plassen lijkt eenvoudig: je blaas wordt vol en je gaat naar het toilet.

In werkelijkheid is het een ingewikkeld samenspel tussen:

  • de blaas;
  • de sluitspieren;
  • zenuwen;
  • het ruggenmerg;
  • de hersenen.

Voor dat systeem worden verschillende signaalstoffen gebruikt, waaronder serotonine, dopamine, noradrenaline en acetylcholine.

Antidepressiva en antipsychotica beïnvloeden een of meer van deze systemen.

Daardoor kan bij sommige mensen ook de regeling van het plassen veranderen.

Maar pas op met een te eenvoudige verklaring als:

“Dit medicijn blokkeert stofje X en daarom krijg je een overactieve blaas.”

De effecten verschillen per medicijn en per persoon. Sommige medicijnen hebben bovendien verschillende effecten tegelijk.

Ook andere eigenschappen kunnen meespelen, zoals:

  • slaperigheid;
  • minder snel wakker worden;
  • obstipatie;
  • droge mond en daardoor anders drinken;
  • invloed op de bloedsuiker;
  • verminderde mobiliteit;
  • combinatie met andere medicijnen.

Daarom is bij vaak plassen door medicijnen de hele medicatielijst belangrijk, niet alleen het laatste medicijn.

06 · Lithium

Lithium: veel plassen en veel dorst

Lithium verdient een aparte plaats.

Bij lithium worden veel drinken en veel plassen in het Farmacotherapeutisch Kompas genoemd als zeer vaak voorkomende bijwerkingen: bij meer dan 10% van de gebruikers.

Lithium kan invloed hebben op het vermogen van de nieren om urine te concentreren.

Daardoor kun je:

  • veel urine produceren;
  • veel dorst krijgen;
  • en dus ook heel vaak naar het toilet moeten.

Dat is heel iets anders dan steeds aandrang voelen terwijl er maar weinig urine in de blaas zit.

Veel plassen en veel dorst tijdens lithiumgebruik zijn geen klachten waarbij mijn eerste advies zou zijn om minder te drinken of je blaas te gaan trainen.

Het Farmacotherapeutisch Kompas noemt polyurie (veel urine) juist als een situatie waarin extra controle nodig kan zijn. Ook veranderingen in vocht- en zoutinname kunnen belangrijk zijn bij lithiumgebruik.

Bespreek zulke klachten daarom met je behandelaar.

07 · Slaap- en kalmeringsmiddelen

Kunnen slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen en sterke pijnstillers urineverlies geven?

Deze medicijnen staan iets lager op mijn lijst wanneer iemand puur vraagt:

“Welk medicijn maakt mijn blaas overactief?”

Maar ze kunnen wel bijdragen aan urineverlies.

Denk bijvoorbeeld aan:

  • temazepam
  • oxazepam
  • diazepam
  • lorazepam
  • zolpidem
  • zopiclon
  • opioïden zoals morfine en oxycodon

Sommige van deze medicijnen kunnen je slaperiger maken, waardoor je aandrang later opmerkt of minder snel bij het toilet bent.

Opioïden kunnen daarnaast het leegplassen beïnvloeden.

Ook hier geldt dus: vraag niet alleen óf iemand urine verliest, maar hoe dat gebeurt.

08 · Zelf uitzoeken

Vaak plassen door medicijnen: wat kun je zelf doen?

Je hoeft het niet zomaar te accepteren.

Maar stoppen met het medicijn is ook niet het antwoord.

Er zijn verschillende dingen om uit te zoeken.

  1. 1

    Stap 1 van 3

    Past het moment waarop de klachten begonnen bij het medicijn?

    Denk terug aan:

    • Wanneer ben je met het medicijn begonnen?
    • Wanneer begonnen de plasklachten?
    • Is de dosis verhoogd?
    • Werden de klachten daarna erger?
    • Is er nog een ander medicijn gestart?
    • Was er tegelijkertijd iets anders veranderd?

    Zo’n tijdsverband bewijst niet dat het medicijn de oorzaak is, maar het is belangrijke informatie.

  2. 2

    Stap 2 van 3

    Kijk wat er precies gebeurt.

    Een plasdagboek kan verrassend veel duidelijk maken.

    Noteer bijvoorbeeld een paar dagen:

    • wanneer je drinkt;
    • hoeveel je drinkt;
    • wanneer je je medicijnen inneemt;
    • hoe laat je plast;
    • hoeveel je plast;
    • wanneer je plotseling aandrang krijgt;
    • en wanneer je urine verliest.

    Dan ontstaat vaak al een ander beeld.

    Veel grote plassen
    past meer bij extra urineproductie.
    Heel vaak kleine plasjes met sterke aandrang
    kan op een ander probleem wijzen.
    Steeds kleine beetjes, moeilijk op gang komen en het gevoel dat de blaas niet leeg is
    kan juist reden zijn om te onderzoeken of je goed uitplast.

    Moet je vooral ’s nachts vaak plassen? Lees dan ook waarom je ’s nachts vaak moet plassen en wat je eraan kunt doen.

  3. 3

    Stap 3 van 3

    Bespreek het met je arts of apotheker.

    Een goede vraag is niet alleen:

    “Kan dit een bijwerking zijn?”

    Vraag bijvoorbeeld:

    “Sinds ik dit medicijn gebruik moet ik vaker plassen en heb ik meer aandrang. Het medicijn helpt me wel. Kunnen we bekijken waardoor mijn plasklachten komen en of er iets mogelijk is zonder de goede werking van het medicijn kwijt te raken?”

    Afhankelijk van het middel en de situatie kan een arts bijvoorbeeld beoordelen of:

    • het innamemoment aangepast kan worden;
    • de dosis een rol speelt;
    • een ander middel mogelijk is;
    • de combinatie van medicijnen meespeelt;
    • je blaas goed leeg raakt;
    • of de plasklachten afzonderlijk behandeld kunnen worden.

    Dat zijn medische afwegingen. Verander je medicatie daarom niet zelf.

09 · Behandeling

Kan een overactieve blaas worden behandeld als je het medicijn moet blijven gebruiken?

Soms wel, ook als je vaak plast door medicijnen.

Dit is misschien wel de belangrijkste boodschap van dit artikel.

Stel dat je een medicijn gebruikt waardoor je wat meer urine produceert. Maar dat verklaart niet automatisch waarom je bij thuiskomst ineens enorme aandrang krijgt. Of waarom je al bij een klein beetje in je blaas naar het toilet gaat. Of waarom je voortdurend voor de zekerheid plast.

Twee dingen tegelijk

Er kunnen twee dingen tegelijk spelen.

Dat geldt ook andersom.

Als je twaalf keer per dag plast doordat je lichaam acht liter urine produceert, heeft het weinig zin om alleen je reactie op aandrang te trainen. Dan moet eerst duidelijk worden waarom je zoveel urine maakt.

Daarom kijk ik bij aanhoudende aandrang niet alleen naar het aantal toiletbezoeken.

Ik wil onder andere weten:

  • hoeveel urine iemand per keer plast;
  • hoeveel iemand drinkt;
  • welke medicijnen iemand gebruikt;
  • of iemand goed kan uitplassen;
  • of er sterke aandrang is;
  • of er urineverlies bij aandrang is;
  • en welk gedrag rond die aandrang is ontstaan.

Meer over andere oorzaken van vaak plassen lees je in tips tegen vaak plassen.

10 · Rust in je blaas training

Kan de Rust in je blaas training helpen als je medicijnen gebruikt?

Medicijngebruik is op zichzelf geen reden waarom de Rust in je blaas training niet zou kunnen passen.

De training is bedoeld voor mannen en vrouwen met een patroon van een overactieve blaas en/of urineverlies bij aandrang.

De Rust in je blaas training is geen behandeling om:

  • de gewenste werking van een plaspil tegen te houden;
  • de extra urineproductie door lithium op te lossen;
  • urineretentie te behandelen;
  • of een bijwerking van een geneesmiddel weg te trainen.

De training richt zich op een ander deel van het probleem: hoe je systeem reageert op aandrang en welke automatische gewoonten daar omheen zijn ontstaan.

Je brein stuurt je blaas aan. Bij een overactieve blaas is dan ook meestal niet de blaas het probleem, maar het alarm dat je brein laat afgaan.

Daarbij gebruik ik onder andere gedragsadviezen, ontspanning, hypnose en oefeningen om anders op aandrang te leren reageren.

Dat kan helpen wanneer naast het medicatie-effect ook een overactief aandrangpatroon bestaat.

Maar eerst moet het probleem kloppen.

Wil je weten hoe dat er in de praktijk uitziet? Lees dan het verhaal van Jan over zijn overactieve blaas en urineverlies bij aandrang.

Vaak plassen door medicijnen: wanneer moet je eerst naar een arts?

Denk je dat je vaak plast door medicijnen? Laat je klachten dan medisch beoordelen als je bijvoorbeeld:

  • niet of nauwelijks kunt plassen;
  • moeite hebt om je plas op gang te krijgen;
  • steeds het gevoel houdt dat je blaas niet leeg is;
  • plotseling heel veel meer urine produceert;
  • heel veel dorst hebt;
  • bloed in je urine ziet;
  • pijn hebt bij het plassen;
  • of plotseling nieuwe urinewegklachten krijgt nadat medicatie is gestart of veranderd.

Helemaal niet meer kunnen plassen kan acute urineretentie zijn en vraagt snelle medische beoordeling.

11 · De kern

Vaak plassen door medicijnen: wat is de kern?

Ja, medicijnen kunnen ervoor zorgen dat je vaker moet plassen of urine verliest. Urineverlies door medicijnen zie je bijvoorbeeld bij sommige antipsychotica en slaapmiddelen.

Maar ‘vaak plassen door medicijnen’ is geen diagnose.

  • Een plaspil kan ervoor zorgen dat je meer urine maakt.
  • Een SGLT2-remmer kan je urineproductie verhogen.
  • Lithium kan ervoor zorgen dat je nieren urine minder goed concentreren.
  • Antidepressiva en antipsychotica kunnen op verschillende manieren invloed hebben op het plassen. Bij sommige medicijnen worden zowel vaak plassen en incontinentie als urineretentie beschreven.

Daarom is de belangrijkste vraag niet: “Welk pilletje veroorzaakt dit?”

“Wat gebeurt er bij mij precies? En welk deel daarvan kunnen we beïnvloeden?”

Soms ligt de oplossing in de medicatie, soms in het behandelen van een ander medisch probleem.

Soms kun je het medicijn gewoon blijven gebruiken en daarnaast iets aan je blaas- en aandrangklachten doen.

En soms spelen er een paar dingen tegelijk.

Dat uitzoeken is een stuk zinvoller dan concluderen:

“Het zal wel door mijn medicijnen komen, dus ik moet er maar mee leren leven.”

12 · Vragen

Veelgestelde vragen

Als urineverlies in de bijsluiter staat, is dan bewezen dat mijn medicijn de oorzaak is?

Nee. Een bekende bijwerking betekent dat er voldoende aanwijzingen zijn voor een verband, maar niet dat iedere plasklacht bij iedere gebruiker daardoor wordt veroorzaakt. Leeftijd, andere medicijnen, prostaatproblemen, diabetes, vochtinname en de aansturing van de blaas door je brein kunnen ook meespelen. Daarom is het klachtenpatroon belangrijk.

Hoe weet ik of ik meer urine maak of vooral vaker aandrang heb?

Dat kun je vaak beter zien met een plasdagboek. Noteer een paar dagen wanneer en hoeveel je drinkt, wanneer je medicijnen inneemt, hoe vaak je plast en hoeveel er per keer komt. Veel grote plassen wijzen op iets anders dan heel vaak kleine beetjes met sterke aandrang.

Kan een medicijn ervoor zorgen dat ik vaak kleine beetjes plas doordat mijn blaas niet goed leeg raakt?

Ja. Sommige medicijnen kunnen urineretentie of andere problemen met het leegplassen veroorzaken. Chronische urineretentie kan zich juist uiten in frequent kleine hoeveelheden plassen, een gevoel dat de blaas niet leeg is en soms urineverlies.

Bronnen

Bijwerkingen en productinformatie kunnen veranderen. De geneesmiddelinformatie in dit artikel is voor het laatst gecontroleerd op 27 oktober 2026.

Farmacotherapeutisch Kompas

Lareb en wetenschappelijk onderzoek